Hernieuwbare diesel, of HVO (Hydrotreated Vegetable Oil), wordt soms verward met biodiesel of FAME (Fatty Acid Methyl Ester). De belangrijkste verschillen tussen de twee zijn te vinden in hun chemische samenstelling, prestaties bij koud weer en bewaarkwaliteiten.
HVO wordt geproduceerd door middel van een waterstofbehandelingsproces. Het resultaat is een HVO-diesel met een soortgelijke chemische samenstelling als fossiele diesel. Dankzij deze chemische gelijkenis kan hernieuwbare diesel in alle dieselmotoren worden gebruikt in een concentratie tot 100%, of in elke verhouding met fossiele diesel worden gemengd. Biodiesel en fossiele diesel hebben een verschillende samenstelling en kunnen daarom niet als vervanging voor elkaar dienen.
Volgens de EN590 normering mag er maximum 7% FAME worden bijgemengd. Als er dus meer dan 7% FAME wordt bijgemengd dan voldoet de brandstof niet meer aan EN590 norm, en neemt bovendien het risico op problemen met kwaliteit toe. Biodiesel heeft immers een vocht-aantrekkende werking. Dit veroorzaakt bacteriegroei met dichtgeslagen brandstoffilters tot gevolg. Biodiesel kan daarnaast, door de vetzuren en zuurstof in combinatie met water, putcorrosie veroorzaken in stalen tanks. Daarbij kunnen er door het vetzuurgehalte van de biodiesel rubbers en verlijmingen in het brandstoffilter en enkelvoudige lakken oplossen. Ook kan biodiesel tijdens koude periodes problemen geven door stolling van de brandstof, waardoor brandstoffilters verstoppen.
